background
19 augustus 2014

Adam

De Ruyschstraat

EPSON scanner image

Vanaf de zesde verdieping van het OLVG neemt Adam Amsterdam in zich op. Zijn moeder ligt op de afdeling oncologie. Het raam op haar kamer biedt uitzicht over de Ruyschstraat.
Amsterdam ziet er van boven af grijs uit. “Adam? Wat ben je aan het doen?” Klinkt een schelle stem vanaf het ziekenhuisbed. “Ik ben aan het nadenken”, mompelt Adam. “IK VERSTA JE NIET. JE MOET HARDER PRATEN.” Hij wendt zich met een vermoeide glimlach tot haar. “Sorry moeder. Ik zal wat duidelijker praten. Ik was aan het nadenken.” “Nou, er zal vast niet veel gebeuren in dat hoofd van je. Nadenken ben je nooit echt goed in geweest.”

Soms is Adam bang dat zijn moeder tegen alle verwachtingen in, wél heel lang blijft leven. Net als ongedierte. Of onkruid. Vol ergernis slaat hij de vrouw gade, die hem vierenzestig jaar geleden, in ditzelfde ziekenhuis, met veel pijn en moeite heeft gebaard. De pijn en moeite lijkt ze Adam nog steeds kwalijk te nemen. Om haar kippennek hangt een opzichtige, gouden ketting. Ook haar grote, uitgerekte oorlellen vallen extra op door de opvallende bellen die erin hangen. Ze heeft ook make-up op. Toen de zusters haar een pyjama wilden aantrekken, schopte ze stennis, alsof haar leven ervan af hing. Sindsdien draagt ze haar eigen jurken in bed. “Nu ziet men dat ik geen armoedzaaier ben”, legde ze een keer uit.

Het OLVG, opgericht in 1898, is een opleidingsziekenhuis. De beste leerschool voor coassistenten is de kamer waar zijn moeder ligt. Een leerschool in engelengeduld, welteverstaan. “De mensen hier zijn volkomen incompetent” klaagt ze tegen Adam. “Ik heb het hier verschrikkelijk zwaar.” Adam tuurt door het raam. Waarom loopt hij niet gewoon weg uit de kamer? Weg van zijn moeder. Weg uit dit ziekenhuis. Hij kijkt eerst naar de deurklink. Vervolgens naar haar. Hij bespeurt angst in haar blik. Deze blik is nieuw voor hem. Hij kent zijn moeder als een deftige, strenge, slimme, onaardige vrouw. Niet als een bang, uitgemergeld vogeltje. Hij loopt weg van het raam en gaat op het krukje naast haar zitten en houdt haar hand vast. “Ik weet dat het hier verschrikkelijk is, moeder. En ik ga nergens heen.”


Geen reacties

15 augustus 2014

Sjaak

Het Weteringcircuit

De_Zager_Cafe_Mulder3

Met een perfect ritme valt de regen neer op het zonnescherm van café Mulder aan het Weteringcircuit. Sjaak zijn fluitje Amstel is in aantocht. Gelukkig maar. Hij kan zijn biertje goed gebruiken. Sterker nog, hij heeft het verdiend. Sjaak hanteert sinds hij failliet is verklaard, drie jaar geleden, een strikt beloningssysteem. Het komt erop neer dat hij zichzelf mag belonen als hij een goede dag heeft, gevuld met positieve gedachten. En als het tegenzit, heeft hij nóg meer recht op dat biertje. Vindt hij zelf. Dus elke dag bier voor Sjaak.

Drie jaar geleden bezat hij een Amsterdamse uitgeverij. Er werkte zes man onder hem. Hij hield zich bezig met het ontdekken van literair talent. Drie jaar geleden had hij een aantal succesvolle auteurs in zijn Amsterdamse, chaotische, literair verantwoorde stal, waar hij trots op was. Pareltjes waren het. Waaronder een auteur met een fascinatie voor Amsterdam. De stad waar hij ook dol op was. De beste man schreef over de Amsterdamse onderwereld, gevestigd in de Jordaan. Maar ook het Weteringcircuit van vroeger, waar Sjaak nu op uitkeek, kwam in zijn boek aan de orde. De geschiedenis van de dertig verzetsstrijders die op 12 maart 1945 werden geëxecuteerd op het Eerste Weteringplantsoen wordt in het boek verteld. Als Sjaak aan die mensen denkt, die 67 jaar geleden op dezelfde plek waren als hij, voelt Sjaak zich iets minder zielig. Drie jaar geleden was die desbetreffende auteur zijn protegé. Drie jaar geleden was Sjaak iemand in de literaire Amsterdamse kringen. Als hij café de Engelbewaarder binnen kwam, wisten mensen wie hij was.

Sjaak knikt naar het meisje uit de bediening. Een vriendelijk knikje. Ze weet genoeg. Het volgende fluitje mag door. Drie jaar geleden was Sjaak een gezellige drinker. Nu heeft hij een bierbuik. Nu weet hij niet wat hij moet. Als eigenwijze ondernemer, lijkt het hem een regelrechte hel om voor een baas te werken. Dus Sjaak heeft een strategie. Hij wacht tot de economie straks weer aantrekt en dan grijpt hij zijn kans om het nog een keer te proberen. Straks is Amsterdam een kwalitatieve uitgeverij rijker: Sjaak’s boekie’s zal het gaan heten. Zoiets. Bij de gedachte daaraan krullen zijn mondhoeken wat naar boven. Hij grijpt zijn kans nog wel. En tot die tijd blijft hij fluitjes drinken bij café Mulder.


Geen reacties

12 augustus 2014

Frank

De Prins Hendrikkade

De_Zager_Schreierstoren

Piepend staat Boef voor de deur. Klaar om uitgelaten te worden. Op aanraden van zijn ex-vrouw heeft Frank de hond een jaar geleden uit het dierenasiel geplukt. Wat leven in huis zou hem goed doen. Anders zou hij ook maar vereenzamen volgens haar. De zwart-witte vuilnisbak was bij het asiel geloosd, omdat hij zijn vorige baas tot wanhoop zou hebben gedreven door alles te molesteren wat los en vast zat. Frank had ook de neiging om dingen te molesteren. Relaties bijvoorbeeld. Maar hij niet alleen. De ex was ook geen heilige.

De nood is blijkbaar hoog. Het gepiep neemt in volume toe en de deur krijgt er een paar krassen bij. “Ja ja, ouwe zeikerd.” Frank pakt de riem, waarop Boef als een bezetene begint te kwispelen. “We gaan maar een klein rondje hoor.” Met een klein rondje bedoelt Frank het traject vanaf de Nieuwmarkt naar de Prins Hendrikkade. Daar lopen ze langs de Schreierstoren, tegenover het Centraal Station. Deze oudste toren van Amsterdam, gebouwd in 1487, maakte vroeger deel uit van de stadsmuur. Omdat deze muur bij de toren een scherpe (schraye) hoek maakte, werd het gebouw aangeduid als de Schrayershoucktoren. De huidige naam heeft een veel mooiere betekenis vindt Frank. Hij draagt zijn naam omdat hij op de plek stond waar, in de tijd van de VOC, vrouwen afscheid namen van hun mannen voordat zij op reis gingen. Zijn ex had er vast niet gestaan, denkt Frank. Als ze toen hadden geleefd en hij op reis zou gaan, had ze lekker met een of andere smid liggen krikken ofzo. En als ze er al zou staan, dan zou het eerder lachend zijn dan schreiend. Kutwijf.

Boef snuffelt aan een stukje toren. De middeleeuwse luchtjes zijn al eeuwen weggevaagd. Hij tilt zijn poot op. Met een gekletter bakent hij zijn stukje territorium af en bezit zo een stuk van de Schreierstoren. “Brave boef.” Via de andere kant van de gracht loopt het tweetal weer terug naar de Nieuwmarkt. Soms voelt Frank zich een beetje schuldig dat de wandelingen niet meer dan tien minuten in beslag nemen. Maar er is werk aan de winkel. Frank heeft inspiratie. Er moet een boze brief worden geschreven aan de ex.


Geen reacties

10 augustus 2014

Kees en Mo

Het Damrak

De_Zager_Damrak_2

“Gast, ik háát OV”, moppert Mo tegen Kees, overduidelijk niet gecharmeerd van deze wijze van transport. Hij haalt zijn schouders op. “Je weet toch. Mijn scooter is naar de tering.” Ze staan al tien minuten voor de Bijenkorf op het Damrak, wachtend op tram 17, richting Surinameplein. “Je bent ook zo’n fucking loser!” grapt Mo. Doelend op het scooterongeluk van de week ervoor. Met acht pizza’s achterop en dertig minuten op de klok om de vette happen bij zijn ongeduldige klanten af te leveren, was de auto die van rechts kwam Kees even ontgaan.

Eindelijk is hij daar, tram 17. Kees en Mo houden hun OV chipkaart voor de strip. De tram beweegt zich behoedzaam voort, om onoplettende toeristen niet te scheppen. Terwijl Kees en Mo zich verplaatsen door het wandelpad in de tram vangen ze de angstige blik op van een medepassagier. Een vrouw van rond de vijftig jaar kijkt de jongens achterdochtig aan, terwijl ze haar tas stevig tegen haar boezem aandrukt. Kees stoot Mo aan en knipoogt naar zijn vriend. Het startsignaal. De jongens lopen haar voorbij, waarop de vrouw opgelucht ademhaalt. Maar in plaats van door te lopen, kiezen Mo en Kees voor een plekje recht achter de dame. Het zenuwachtige getik van haar lange, roodgelakte nagels tegen het raam van de tram, ontgaat de jongens niet.

Na twintig minuten arriveert de tram bij de Jan Pieter Heijestraat. Een halte verwijderd van de Postjesweg, waar de jongens eruit moeten. Het getik is nog niet opgehouden. De vrouw verkeert nog steeds een beetje in doodsangst door de aanwezigheid van de twee jongens met hun opgeschoren kapsels en, voor haar, onverstaanbare accent. Ditmaal is het Mo die knipoogt naar Kees. Net voordat de tram afremt bij halte Postjesweg, draait Mo zich om en buigt zich richting het achterhoofd van hun buurvrouw, waar een walm zoete parfum vandaan komt. “Zorgt u wel dat u uw tas goed vasthoudt, mevrouw?”, fluistert Mo in haar rechteroor. De vrouw schrikt zich een ongeluk. Een piepend geluid produceert ze. Mo staat op en kijkt met een brede glimlach naar de vrouw, die lichtelijk beschaamd haar tas nonchalant op de grond tussen haar voeten neerzet. Kees en Mo stormen lachend de tram uit. Eenmaal uitgecheckt en uitgelachen spuugt Mo op de grond, haalt zijn neus op en mompelt: “Moet ze zich maar niet zo aanstellen. Dan kan ze hem krijgen ook”.


Geen reacties

8 augustus 2014

Jeroen

Het Centraal Station

De_Zager_CS_viaduct

“Ja! Harder!” Bloem hangt met haar volle gewicht aan Jeroen zijn arm. Bloem had Wolf geheten, als ze een jongen was geweest. Jeroen had liever een dochter met een iets minder organische naam gehad. Esther. Of Marieke. Zoiets. Maar tegenwoordig kun je aan de hand van de naam die je je nageslacht toekent bewijzen dat je wel degelijk creatief bent. “Harder!” Bloem is minder lief dan haar naam doet vermoeden. Terwijl ze op het pontje staan, richting Amsterdam Centraal, krijgt Jeroen een lamme arm van het gehang van zijn kind. “HARDER!!” krijst bloem. “Nee Bloem. De pont kan niet harder. We zijn er zo. En wil je alsjeblieft niet zo hard schreeuwen?” Het gegil houdt zowaar op.

Bloem lijkt afgeleid, door het Centraal Station, dat ineens oprijst. Ook Jeroen is afgeleid. Iedere ochtend als hij vanaf het IJplein op de pont staat om Bloem naar de crèche te brengen, en vervolgens snel door te fietsen naar het niet zo snelle reclamebureau waar hij werkt, geniet hij van het Centraal Station. Niet dat het gebouw vanaf Noord gezien nou zo mooi is. Misschien zelfs wel deprimerend. Maar het verbindt wel zijn favoriete deel van Amsterdam, de bewoonde wereld waar alles gebeurt, met zijn woonplek. Dát kolossale pand, gebouwd tussen 1881 en 1889 door Cuypers, van Gendt en Eijmer, maakt hem altijd nieuwsgierig. Wat op die perrons allemaal moet zijn gebeurd…

Jeroen houdt van geschiedenis en mijmert over het Amsterdam rond 1890. De tijd van de werkeloosheid. Statistieken ervan waren er nog niet. Maar uit historische boeken weet hij dat de omvang enorm was. In combinatie met de felste winter die de negentiende eeuw heeft gekend. In deze periode opende het Rijksmuseum (1885) en het Concertgebouw (1888) haar deuren. En natuurlijk het Centraal Station, waar het pontje inmiddels op het punt staat om aan te meren. Het was een tijd waarin het contrast tussen arm en rijk enorm groot moet zijn geweest, bedenkt Jeroen zich.

Het was echter niet de tijd van Amsterdamse pasgeboren Bloemen. Je noemde je dochter gewoon Sien. Of Neeltje. Zoiets.


Geen reacties

4 augustus 2014

Ria

De Amstel

10540383_535946326531730_2210323158252405383_o

Zoals iedere woensdag en donderdag, maar eigenlijk meestal ook wel op de maandag, dinsdag en vrijdag, zit Ria op het terras. Op háár eigen plek. Want van daaruit kan ze alle buurtgenoten mooi gadeslaan. Zoals altijd begint haar dag met een bak koffie. Tegelijk met een sigaret. Ze rookt van die dunne. Vindt ze sjiek. Urenlang kan ze zich vermaken, uitkijkend over de Amstel. Kijkend naar fietsende mensen, honden, ruziënde mensen. Die laatste categorie vindt ze het leukst.

Met een tevreden glimlach op haar gezicht neemt Ria nog een flinke hijs. Door de felle zon, schijnend op de Amstel, is het drukker dan gewoonlijk op het terras van haar stamkroeg. De panterblouse gaat dan ook snel uit. “Ik kan de hitte niet meer aan, dus de meisjes gaan los”, grapt ze met haar platte accent naar de twintigjarige jongen die de mensen op het terras bedient. Hij kleurt een beetje roze bij de aanblik van het laag uitgesneden shirtje dat ineens zichtbaar wordt.

Na veertig jaar zelf een kroeg te hebben gerund, vindt ze het prachtig om zelf bediend te worden. Jarenlang genoot ze van alle dronken types die aan haar bar hingen, met de bijkomende bodemloze put aan verhalen. Maar na veertig jaar vond ze het wel mooi geweest en besloot ze haar bierspatel aan de wilgen te hangen. Met weemoed denkt ze terug aan alle vaste gasten, die ze nu niet meer iedere dag ziet. Sommigen leven misschien niet eens meer. Ze denkt aan Sjon, Alex, Paul en Niels die bijna iedere dag een vaasje bij haar dronken. Haar complimenten gaven. Over hoe lekker ze haar bitterballen frituurde. Of over haar decolleté. Haar bakkie pleur is op en de zon maakt plek voor wolkenvelden ter grootte van stadsdeel Bos en Lommer. De panterblouse gaat weer aan en ze vertrekt. Morgen weer terug, op hetzelfde plekje, met hetzelfde uitzicht. En een bakje zwarte pleur.


Geen reacties

1 augustus 2014

Sjaak

De Stormsteeg

10557566_535880876538275_5266387407117934919_o

Een klote stad is het ook. Godver! Als een bezetene fietst Sjaak over de Dam. Die verlepte, vieze stadsduiven kunnen allemaal de tering krijgen van hem. Samen met de toeristen. Waarom halen ze toch altijd die verdomde plattegrond midden op het fietspad uit hun tas? Maar bij de toeristen en de duiven, die overigens ook nog eens onder de luizen blijken te zitten, stopt zijn ergernis niet. In de goeie ouwe tijd was de stad leuk. Lag iedere straat niet maandenlang open. Neem nou de vervloekte Ferdinand Bolstraat. Of het Weteringcircuit. Een regelrechte hel. Sjaak manoeuvreert zich tussen twee zwaarlijvige Aziaten door richting de Nieuwmarkt. Eindelijk rust. Voor Amsterdamse begrippen dan. Op de brug stopt hij en kijkt op de grachten neer. De grachten waar hij van hield. Van houdt. De stad waar hij zo graag doorheen fietst. Waar creativiteit hoog in het vaandel staat. Waar je dronken kunt worden in de Nel. Waar tante Jannie van de Ruk & Pluk je eigenhandig haar zaak uit schopt, als je irritant bent geworden van al het bier. Hoe is hij zo cynisch geworden? Cynisch ten opzichte van de stad waar hij zo van hield? Maar hij niet alleen. Zelfs onze bloedeigen stadsdichter Anna Enquist klaagt steen en been over alles wat met Amsterdam te maken heeft.

Een hysterische symfonie aan rinkelende fietsbellen bereikt Sjaak zijn gehoor. Geïrriteerd kijkt hij op, voordat hij realiseert dat hij, verzonken in gedachten over de stad die hij haat en waarvan hij houdt, de kruising van de Stormsteeg en de Oudezijds Achterburgwal compleet blokkeert. Sjaak stapt zijn fiets op. Beschaamd dat hij zich na 50 jaar Amsterdam nog als een toerist gedraagt in eigen stad. Hij heeft zin in een biertje. Bij Stevens ofzo. Lekker nadenken over de verdorven stad, waar hij zo van houdt.


Geen reacties

Over De Zager
Adam
Sjaak
Frank
Kees en Mo
Jeroen
Ria
Sjaak