Met zijn telefoon in zijn rechterhand, staat Simon naast zijn fiets. Hij staat op de brug en kijkt uit over het water dat de Amstel heet. Zijn oog valt op de hoogste wolkenkrabber die Amsterdam kent, vernoemd naar de schilder Rembrandt van Rijn. Verslagen neemt hij het uitzicht in zich op. De rest van zijn leven zal hij zich herinneren waar hij zich nu bevindt. De telefoon glijdt bijna uit zijn hand. Nat van het zweet.
Simon wordt gepasseerd door minstens vijfentwintig oude mensen in colonne. Arm in arm bewegen ze zich voort als een stel slakken. De oudere dames giechelen wat met elkaar. Alhoewel ze geen schim zijn van de vrouwen die ze vijftig jaar geleden waren, klinken ze jong. Zoals een groep meisjes op een schoolreisje. De mannen niet. Met groeven in hun gezichten en ruggen die gebogen zijn, bewegen zij zich voort. Fijn, dat oude vrouwen nog kunnen giechelen, bedenkt Simon zich.
Hij denkt aan de oudjes. Waarom zijn ze hier? Waarom zijn ze niet bij het Anne Frank museum? Het Rijksmuseum? Wat is er in hemelsnaam te doen, op deze plek? Hij denkt aan de Amstel, aan de Rembrandttoren. En de twee torens ernaast, die hun naam te danken hebben aan de Nederlandse schilders Breitner en Mondriaan. Zijn kennis omtrent de gebouwen is niet toereikend genoeg. Dus Simon denkt aan de afwas. Of hij die vanochtend wel of niet heeft gedaan. Zijn er mailtjes die hij nog moet beantwoorden? “Kind, wat kijk je sip”. Merkt een van de oudere besjes op. “Mijn leven is zojuist voorgoed veranderd, mevrouw.” Ze knikt. Met haar tachtig jaar levenservaring weet ze genoeg. “Maar ik doe nog even alsof dat niet het geval is.” “Goed jongen. Geniet nog maar van het uitzicht, zolang je kunt.” Ze knijpt stevig in zijn wang en schuift verder.
