Een klote stad is het ook. Godver! Als een bezetene fietst Sjaak over de Dam. Die verlepte, vieze stadsduiven kunnen allemaal de tering krijgen van hem. Samen met de toeristen. Waarom halen ze toch altijd die verdomde plattegrond midden op het fietspad uit hun tas? Maar bij de toeristen en de duiven, die overigens ook nog eens onder de luizen blijken te zitten, stopt zijn ergernis niet. In de goeie ouwe tijd was de stad leuk. Lag iedere straat niet maandenlang open. Neem nou de vervloekte Ferdinand Bolstraat. Of het Weteringcircuit. Een regelrechte hel. Sjaak manoeuvreert zich tussen twee zwaarlijvige Aziaten door richting de Nieuwmarkt. Eindelijk rust. Voor Amsterdamse begrippen dan. Op de brug stopt hij en kijkt op de grachten neer. De grachten waar hij van hield. Van houdt. De stad waar hij zo graag doorheen fietst. Waar creativiteit hoog in het vaandel staat. Waar je dronken kunt worden in de Nel. Waar tante Jannie van de Ruk & Pluk je eigenhandig haar zaak uit schopt, als je irritant bent geworden van al het bier. Hoe is hij zo cynisch geworden? Cynisch ten opzichte van de stad waar hij zo van hield? Maar hij niet alleen. Zelfs onze bloedeigen stadsdichter Anna Enquist klaagt steen en been over alles wat met Amsterdam te maken heeft.
Een hysterische symfonie aan rinkelende fietsbellen bereikt Sjaak zijn gehoor. Geïrriteerd kijkt hij op, voordat hij realiseert dat hij, verzonken in gedachten over de stad die hij haat en waarvan hij houdt, de kruising van de Stormsteeg en de Oudezijds Achterburgwal compleet blokkeert. Sjaak stapt zijn fiets op. Beschaamd dat hij zich na 50 jaar Amsterdam nog als een toerist gedraagt in eigen stad. Hij heeft zin in een biertje. Bij Stevens ofzo. Lekker nadenken over de verdorven stad, waar hij zo van houdt.