De doorrookte stem van Herman Brood galmt door de groene, Amerikaanse oldtimer. Ben bestuurt het bezienswaardige voertuig dat hij van zijn vader heeft over gekocht. Ellis zit naast hem. Alhoewel hij zijn ogen op de weg heeft gericht, voelt hij haar blik. Hij lacht ietwat ongemakkelijk. Ze vindt het altijd leuk om te zien dat hij verlegen wordt van haar. Ellis voelt zich nooit ongemakkelijk. Maar Ellis is dan ook acht jaar ouder dan Ben.
“Ben, de volgende afslag moeten we eraf.” Ze rijden op de A10, Ring West. “Is goed, Elle”, antwoordt hij haar. Never be clever zingt Brood. Ze draait het volume een slag naar rechts. “Never be clever!” gilt ze door het open raam. Ondeugend kijkt ze hem aan. “Weet je waarom Herman Brood koos voor primaire kleuren tijdens het schilderen?” vraagt ze. “Nou, vertel.” “Omdat hij kleurenblind was. Dus hij deed dat uit noodzaak.” Legt ze uit. De zon schijnt op haar fijne, lichtbruine gezicht. Haar donkere krullen wapperen door de wind. Hij vindt haar prachtig. Hij kan bijna niet wachten om haar straks aan zijn ouders voor te stellen. “Nu rijd je alsnog verkeerd, sukkel”, plaagt ze. Bij de afrit Amsterdam-Sloterdijk hadden ze eraf gemoeten.
Na te hebben omgereden, neemt Ben de eerder gemiste afslag en gaat de Admiraal de Ruijterweg in. Hij parkeert de auto en houdt het portier voor zijn vriendin open. “Wat ben jij ineens stil”, merkt hij op. “Je weet dat ik nooit bang ben, toch?” Vraagt ze. “Ja?” “Nu ben ik dat wel.”. Hij slaat een arm om haar heen en ze lopen samen voor de eerste keer naar het huis van zijn ouders.