“Gast, ik háát OV”, moppert Mo tegen Kees, overduidelijk niet gecharmeerd van deze wijze van transport. Hij haalt zijn schouders op. “Je weet toch. Mijn scooter is naar de tering.” Ze staan al tien minuten voor de Bijenkorf op het Damrak, wachtend op tram 17, richting Surinameplein. “Je bent ook zo’n fucking loser!” grapt Mo. Doelend op het scooterongeluk van de week ervoor. Met acht pizza’s achterop en dertig minuten op de klok om de vette happen bij zijn ongeduldige klanten af te leveren, was de auto die van rechts kwam Kees even ontgaan.
Eindelijk is hij daar, tram 17. Kees en Mo houden hun OV chipkaart voor de strip. De tram beweegt zich behoedzaam voort, om onoplettende toeristen niet te scheppen. Terwijl Kees en Mo zich verplaatsen door het wandelpad in de tram vangen ze de angstige blik op van een medepassagier. Een vrouw van rond de vijftig jaar kijkt de jongens achterdochtig aan, terwijl ze haar tas stevig tegen haar boezem aandrukt. Kees stoot Mo aan en knipoogt naar zijn vriend. Het startsignaal. De jongens lopen haar voorbij, waarop de vrouw opgelucht ademhaalt. Maar in plaats van door te lopen, kiezen Mo en Kees voor een plekje recht achter de dame. Het zenuwachtige getik van haar lange, roodgelakte nagels tegen het raam van de tram, ontgaat de jongens niet.
Na twintig minuten arriveert de tram bij de Jan Pieter Heijestraat. Een halte verwijderd van de Postjesweg, waar de jongens eruit moeten. Het getik is nog niet opgehouden. De vrouw verkeert nog steeds een beetje in doodsangst door de aanwezigheid van de twee jongens met hun opgeschoren kapsels en, voor haar, onverstaanbare accent. Ditmaal is het Mo die knipoogt naar Kees. Net voordat de tram afremt bij halte Postjesweg, draait Mo zich om en buigt zich richting het achterhoofd van hun buurvrouw, waar een walm zoete parfum vandaan komt. “Zorgt u wel dat u uw tas goed vasthoudt, mevrouw?”, fluistert Mo in haar rechteroor. De vrouw schrikt zich een ongeluk. Een piepend geluid produceert ze. Mo staat op en kijkt met een brede glimlach naar de vrouw, die lichtelijk beschaamd haar tas nonchalant op de grond tussen haar voeten neerzet. Kees en Mo stormen lachend de tram uit. Eenmaal uitgecheckt en uitgelachen spuugt Mo op de grond, haalt zijn neus op en mompelt: “Moet ze zich maar niet zo aanstellen. Dan kan ze hem krijgen ook”.