“Ja! Harder!” Bloem hangt met haar volle gewicht aan Jeroen zijn arm. Bloem had Wolf geheten, als ze een jongen was geweest. Jeroen had liever een dochter met een iets minder organische naam gehad. Esther. Of Marieke. Zoiets. Maar tegenwoordig kun je aan de hand van de naam die je je nageslacht toekent bewijzen dat je wel degelijk creatief bent. “Harder!” Bloem is minder lief dan haar naam doet vermoeden. Terwijl ze op het pontje staan, richting Amsterdam Centraal, krijgt Jeroen een lamme arm van het gehang van zijn kind. “HARDER!!” krijst bloem. “Nee Bloem. De pont kan niet harder. We zijn er zo. En wil je alsjeblieft niet zo hard schreeuwen?” Het gegil houdt zowaar op.
Bloem lijkt afgeleid, door het Centraal Station, dat ineens oprijst. Ook Jeroen is afgeleid. Iedere ochtend als hij vanaf het IJplein op de pont staat om Bloem naar de crèche te brengen, en vervolgens snel door te fietsen naar het niet zo snelle reclamebureau waar hij werkt, geniet hij van het Centraal Station. Niet dat het gebouw vanaf Noord gezien nou zo mooi is. Misschien zelfs wel deprimerend. Maar het verbindt wel zijn favoriete deel van Amsterdam, de bewoonde wereld waar alles gebeurt, met zijn woonplek. Dát kolossale pand, gebouwd tussen 1881 en 1889 door Cuypers, van Gendt en Eijmer, maakt hem altijd nieuwsgierig. Wat op die perrons allemaal moet zijn gebeurd…
Jeroen houdt van geschiedenis en mijmert over het Amsterdam rond 1890. De tijd van de werkeloosheid. Statistieken ervan waren er nog niet. Maar uit historische boeken weet hij dat de omvang enorm was. In combinatie met de felste winter die de negentiende eeuw heeft gekend. In deze periode opende het Rijksmuseum (1885) en het Concertgebouw (1888) haar deuren. En natuurlijk het Centraal Station, waar het pontje inmiddels op het punt staat om aan te meren. Het was een tijd waarin het contrast tussen arm en rijk enorm groot moet zijn geweest, bedenkt Jeroen zich.
Het was echter niet de tijd van Amsterdamse pasgeboren Bloemen. Je noemde je dochter gewoon Sien. Of Neeltje. Zoiets.