background
25 augustus 2014

Eefje

Jodenbreestraat

De_Zager_Zuiderkerk_kl

Eefje trapt stug door. Haar fiets is op sterven na dood. Door de slag in haar wiel en de vier loszittende spaken, komt ze maar met moeite vooruit. Bij de Jodenbreestraat aangekomen, kijkt ze uit op de Zuiderkerk, in 1874 door Claude Monet geschilderd. Ter hoogte van het Rembrandthuis houdt haar fiets ermee op. “Niet nu!” Ze heeft nog tien minuten om bij de Waalsteeg te komen.

Eefje smijt haar fiets tegen de eerste de beste boom die ze ziet. Ze moet rennen. Met wind tegen rent ze zo hard als ze nog nooit heeft gedaan. Haar rug voelt nat aan van het zweet. Ze voelt een brok in haar keel. Ze kan wel janken. Dit gaat ze nooit redden. “Hoi wijfie!” Ze kijkt met tranen in haar ogen op naar de ongezond ogende man die naast haar een bakfiets bestuurd. “Lekker aan je conditie aan het werken, schat?” Het wordt Eefje teveel. “Ik heb het allerbelangrijkste sollicitatiegesprek ooit en nu kom ik te laat omdat die klote fiets van me het heeft begeven!” De tranen hebben nu de vrije loop. “O wijfie, dan ga je toch lekker in mijn bakfiets zitten. Doe maar rustig hoor. Waar moet je heen?” vraagt de man. Hoopvol kijkt ze de man aan. Hij lacht zijn vijf tanden bloot. “Naar de Waalsteeg, alstublieft”. Eefje stapt in de bakfiets. Droogt haar tranen en haalt haar neus op. De man zingt net zo hard als hij trapt. Hij lijkt geen last te hebben van de wind. Ze gaan het redden. Nog zeven minuten. Met het tempo waarin de man trapt, is ze misschien zelfs wel twee minuten te vroeg. Eenmaal beland bij de Waalsteeg stapt Eefje uit de bakfiets. “Enorm bedankt. U heeft me gered.” Ze graait in haar tas, op zoek naar haar portemonnee. Nog voordat ze een briefje van vijf eruit heeft kunnen vissen, is de man alweer verder. “Succes wijfie!” schreeuwt de man haar na en verdwijnt richting het Centraal Station.