Alex
Linnaeusstraat
Alex vertrouwt niemand. Schichtig kijkt hij uit het raam vanaf de Hema op de Linnaeusstraat. Hij eet een worst en drinkt een kop koffie terwijl hij alle gekken goed in de gaten houdt. Maar niet alleen de gekken. Ook de hoeren, de dieven en de terroristen. Voor de terrorist is Alex de laatste tijd extra bang. Bij elke passant knijpt Alex zijn ogen een beetje samen. Het is al een tijdje geleden dat hij zich heeft geschoren. Zijn uitgerekte muts met vlekken erop en zijn jas met kapotte rits, zorgen soms voor misverstanden. Maar zijn voorkomen is even geen prioriteit. Sinds een jaar en zessenzeventig dagen houdt hij de buurt in de gaten. Niet beroepsmatig ofzo. Gewoon omdat iemand het moet doen. Omdat hij iedere politieagent die hij ooit heeft ontmoet, uitermate ongeschikt acht om de orde een beetje fatsoenlijk te kunnen handhaven. Dus doet Alex dat.
Met gebalde vuisten staat Alex binnen een fractie van een seconden op als hij voelt dat er aan zijn jas wordt getrokken. Zijn Hema worst valt bijna op de grond. Er blijkt geen dreiging op ooghoogte merkt hij gauw genoeg. Slechts op kniehoogte. In de vorm van een peuter. Een exemplaar met zwarte krulletjes en grote, onschuldige ogen. ‘Hoi.’ Ze zwaait erbij. Alex kan er werkelijk niks mee. Hij blijkt het meisje te amuseren, aangezien ze geen aanstalten lijkt te maken om iemand anders te gaan vervelen.
Met dramatisch grote passen stormt de moeder op haar welp af. Ze heeft tranen in haar ogen. Nog voordat ze dat mormel van haar weer in d’r armen heeft gesloten, krijgt Alex een blik toegewezen alsof hij een terrorist is. Of een dief. Of iemand anders die haar peuter wat zou hebben aangedaan. Hij schudt zijn hoofd. Hij is juist degene die niemand vertrouwd. Hij is de persoon die net nog de wacht hield, terwijl hij rustig zijn Hema worst at. De vrouw draait zich om. Haar blik zegt genoeg. Ze vertrouwt hem voor geen cent.
Jasmijn
van Baerlestraat
Jasmijn staat voor het Concertgebouw, het gebouw waar de passie voor klassieke muziek voelbaar is. Het gebouw waar ze het liefst een concert bijwoont of anders urenlang fantaseert voor de hoofdingang. Op 11 april 1888, toen het Concertgebouw haar deuren opende, schalmde de melodieën van Wagner, Bach en Beethoven door dit pand. Als Jasmijn zich goed concentreert, kan ze het horen.
Ook al is het straatbeeld ietwat veranderd sinds die tijd, nog steeds straalt de plek magie uit, met haar veelal deftige bezoekers. Oudere dames en heren, kromlopend van de parels of glibberig van de haargel, verplaatsen zich in de avond in grote, trage getalen richting een van de vier concertzalen. Overdag is het concertgebouw zichzelf en moet ze het doen zonder haar opsmuk. Zonder haar fortuinlijke bezoekers. Jasmijn denkt aan het jaar 1888. Hoe het moet zijn geweest in het concertgebouw. Het openingsconcert, met de 120 musici en een koor, bestaande uit 500 personen.
Hoewel Jasmijn dusdanig goed kan fantaseren dat ze het hele inwijdingsconcert voor zich ziet, ontgaat het haar niet wat er zich tegen het concertgebouw aan afspeelt. Een laf straaltje urine bereikt een van de muren die haar zo heilig is. Een ware pisvlek markeert een oppervlak van de witte, stenen muur, rechts van de hoofdingang. “KLOOTZAAAAAK” gilt Jasmijn. “Hang dat vieze ding van je ergens anders uit je broek!” vervolgt ze brullend. De toerist lijkt zich van geen kwaad bewust, doet zijn broek weer op slot en lijkt geamuseerd door haar theatrale performance. Tijdens het schreeuwen moeten er veel spetters kwijl door de lucht zijn gevlogen. Ook voelt ze dat ze een rood hoofd heeft. Het voelt alsof er een spot op haar is gericht. Alsof alle ogen op de hele van Baerlestraat haar aankijken. Onbedoeld staat ze op een podium. En iedereen denkt dat ze gek is, met haar rode kop. Maar gek is ze niet. Ze beschermt enkel wat van haar is en van alle andere Amsterdammers: haar geliefde Concertgebouw. Van maar liefst 127 jaar oud.
Joop
Ten Katemarkt
‘Sjooooon!’ krijst zijn vrouw vanachter de kraam. ‘Hebben wij nog zo’n lekker pittig kaasie van laatst?’ Alhoewel de afstand van de stoep tot de voorkant van hun kraam verwaarloosbaar is, gilt ze alsof hij aan de andere kant van de markt staat. ‘Zou je iets specifieker kunnen zijn? Dat pittige kaasie van laatst zegt me namelijk geen ene moer’, antwoordt Sjon. Hij staakt het opstapelen van de kratten achter de kraam en loopt naar de voorkant.
Daar staat Joop. En van hun vaste klanten. Bijna even breed als lang door de drie truien die hij aanheeft. Zijn enorme jas van spijkerstof eroverheen zorgt dat hij nog pompeuzer oogt. Zenuwachtig staat hij voor hun kraam. ‘Zeg dat dan mens. Dat het voor Joop is. Dan snap ik tenminste wat je bedoelt.’ Snauwt Sjon. ‘Alles goed Joop?’ informeert Sjon. De man knikt. Zenuwachtig wacht hij tot de kaas met zijn groene aderen gereed is. ‘Zo. Een lekker pittig stuk kaas. Eet smakelijk alvast hè.’ Joop overhandigt een bedrag aan Sjon. Een bedrag dat met de week meer symbolisch wordt. De muntjes, afkomstig uit Joop zijn handpalm, voelen nat aan.
Sjon kijkt hoe de man zich een weg baant door de menigte. Een van de vertrouwde gezichten van de markt. De Ten Katemarkt die al bestaat sinds 1912. ‘Wat een lieverd is het ook hè?’ zegt Sil. Hij knikt. De man die met zijn truien en zijn spijkerjasje uit de jaren zestig niet de man meer lijkt en is die hij vroeger was, loopt de hoek om. ‘Zal ie ons volgende week nog herkennen?’ vraagt Sil. Iedere week kijkt Joop glaziger uit zijn ogen. Hij ziet er steeds onverzorgder uit en wordt steeds stiller. Het is een raadsel wat zich in zijn hoofd afspeelt. Terwijl Sjon zijn schouders ophaalt weet hij wel beter. Joop komt niet meer terug.
Willem
Bos en Lommerweg
Vanaf het randje van de stad, slentert Willem richting het Bos en Lommerplein. Willem woont aan het eind van de Burgemeester de Vlugtlaan, bijna tegen de snelweg aan. ‘s Nachts wordt hij geteisterd door het lawaai van de auto’s en vrachtwagens. Overdag heeft hij daardoor last van vermoeidheid. En dan is er ook nog het onuitstaanbare kabaal dat, zowel in de avond als overdag, wordt geproduceerd door het duivelsgebroed van zijn buren. ‘s Nachts wordt Willem er kwaad van. Overdag voelt hij zich verslagen. Een slachtoffer van de situatie.
Willem loopt onder het station door, waarna de Burgemeester van de Vlugtlaan een andere naam krijgt: de Bos en Lommerweg. Een paar meter verder ziet hij de Opstandingskerk, ook wel bekend als de Kolenkit. De kerk heeft inderdaad de vorm van een kolenkit. Een soort emmer, bedoeld om kolen vanuit het kolenhok naar de kolenkachel te brengen. Doordat een kolenkit naar boven toe steeds smaller wordt, valt de emmer niet snel om en zijn de stofwolken bij het vervoeren niet al te groot.
Hij vindt de kerk, ontworpen door de Nederlandse architect Marius Duintjer, wel mooi. Willem gaapt, terwijl hij een moment stilstaat voor de Kolenkit. Twee meisjes lopen langs hem. “Goedendag meneer.” zegt de een vriendelijk. “Heeft u het niet koud?” vult de ander haar aan, terwijl ze hem beiden liefkozend aankijken. Nors schudt Willem zijn hoofd en slentert verder. Niet alleen heeft zijn slaapgebrek hem mentaal uitgeput, hij ziet er blijkbaar ook ineens tien jaar ouder uit. Op welke dag is hij in vredesnaam een opa geworden? vraagt hij zich af.
Gerard
Het Frederiksplein
Meestal rookt Gerard nog een sigaret, voordat hij begint met werken. Ook al smaken ze de laatste tijd iets minder lekker. Die behoefte vervult hij buiten, voor het grote gebouw aan het Frederiksplein, bekend als de Nederlandse Bank. Vandaag ook, ondanks de bijtende kou. “Mag ik een peuk van je bietsen?” klinkt het angstvallig dicht bij hem. Op een paar centimeter afstand staat een zwerver. Krom, veel te harig, maar wel vriendelijk ogend. “Vooruit” mompelt Gerard. Hij reikt de sigaret aan, want de man met zijn bruine handen in zijn pakje laten graaien, is simpelweg geen optie.
Gerard wordt vriendelijk bedankt. “Jij ziet er sjiek uit. Heb je een afspraak met Maxima ofzo?” “Nee, ik werk daar.” Hij wijst naar de bank, die wat architectuur betreft iets wegheeft van een gevangenis. “Dan ben je vast rijk! Zo zie je er eigenlijk ook wel uit.” Een reactie van Gerard blijft uit. “Maar, dan ben je ook een graaier dus. Een aasgier.” Gooit de zwervende er nog een schepje bovenop. “Snap ik wel hoor, zou ik namelijk ook doen. Lekker met de centjes van anderen aan de haal gaan. Ik weet wel hoe dat gaat met die bankieren. Ik lees weleens een krant”. Gerard gooit zijn sigaret – half opgerookt – op de grond en gaat naar binnen.
Dit is de precieze reden waarom Gerard zijn sigaretten de laatste tijd niet meer lekker smaken. De bankencrisis heeft zijn status beïnvloed. Ook de Nederlandse Bank, in 1814 door niemand minder dan koning Willem I opgericht, biedt geen aanzien meer. Waar hij niks anders heeft gedaan dan jarenlang hard werken, wordt hij nu door de media afgeschilderd als een boef. En door zijn kennissen. Maar ook door zijn buren en alle andere mensen die ooit een krant hebben opengeslagen, zoals de man die zojuist een sigaret van hem heeft gekregen. Gerard zijn pak verraadt blijkbaar dat hij een boef is, net als zijn visitekaartje en het gebouw waar hij werkt, dat toch al iets wegheeft van een gevangenis.
Judith
De Westergasfabriek
Vanaf het Haarlemmerplein loopt Judith naar het Westerpark, op weg naar haar werk. Aan haar linkerkant ziet ze een container, gevuld met kebab aan de binnenkant en graffiti aan de buitenkant. Er komt een penetrante lucht vandaan die ook de aandacht trekt van de Amsterdamse reiger. Ze telt. Vandaag staan er elf stuks paraat. Loensend, om er als eerste bij te kunnen zijn als er wat eten op de grond valt. Ze zal de enige zijn in Amsterdam, maar ze vindt ze lief. De beesten zien er ongemakkelijk uit. Lange, dunne mannetjes, met lelijke koppen, balancerend op een poot. Het lijkt alsof ze niks anders doen, dan domweg wachten.
Ze betreedt het park. Aan haar linkerkant zijn kinderen aan het spelen. Dik ingepakt. In de nacht is dit stukje veld de speeltuin van alle konijnen die het park rijk is. De konijnen vindt ze leuker dan de kinderen, besluit ze. Aan haar rechterkant ziet ze de twee tennisbanen waar Judith vroeger nog wel eens kwam. Onderdeel van de Big Ali Sportvereniging, vernoemd naar de bokser. De tennisclub is een rommeltje. De banen worden waarschijnlijk niet onderhouden. Het clubhuis is niet meer dan een houten, verrotte hok. Maar de grote, donkere man, die de naam Big Ali draagt, is een fenomeen. En maakt de tennisplek uniek, in al haar troep.
Ze loopt verder richting een compleet ander stukje Westerpark. Aan haar linkerhand ziet ze de North Sea Jazz Club. Rechts het Ketelhuis en verderop aan haar linkerkant volgen de studio’s waar DWDD en Pauw en Witteman worden opgenomen. Ze gaat de studio in, om de voorbereidingen te treffen voor een nieuwe aflevering. De vluchtigheid van haar werk maakt dat de tijd vliegt. Dat ze zich nooit verveelt. De onzekerheid maakt dat ze veel meer werkt dan de bedoeling is, om te zorgen dat ze nooit een fout zal maken. Judith controleert haar eigen werk altijd. En daarna nog een keer. Want falen is geen optie. “Hi, Goedemorgen! Wat ben jij vroeg vandaag.” Merkt haar collega op. Ze knikt naar hem. Ze is inderdaad vroeg. Vroeg genoeg om misschien vandaag niet in paniek te hoeven werken. Ze zou zo graag een dag helemaal niks doen. Als een reiger. Maar dan niet op één been. Staren. Domweg wachten tot de volgende dag zou aanbreken.
Nora
De Piet Heinkade
De benauwde tram vervoert Nora naar Pakhuis de Zwijger, aan de Piet Heinkade. De ijzige kou verdubbelt het aantal OV reizigers. En verdubbelt daarmee ook het aantal snotterende, gapende koppen. Nora heeft een onverdraagzaamheid in zich, die ervoor zorgt dat ze zich op dit soort momenten kapot ergert aan onbekenden. Rechts van haar ziet ze een forens wiens kaken overuren maken om een kleffe ontbijtreep door te slikken. Tegenover haar dient de voorpagina van de Metro als dekmantel om de graafpraktijken van de desbetreffende dame niet in beeld te brengen. Missie mislukt. De neusholtes worden met een fanatisme beroerd waar Nora van staat te kijken.
Het traject van Centraal Station naar het Pakhuis lijkt een eeuwigheid te duren. Eenmaal gearriveerd ademt ze diep in. Frisse lucht, voordat ze het voormalig koelpakhuis naar binnen stapt. Ze wordt op slag gelukkig als ze het frisse meisje ziet zitten achter de toonbank. ‘Hoi!’ wordt Nora begroet alsof ze al uren wakker is. Ze groet terug. De ergernis waarmee ze eerder kampte, is verdwenen. In de lift hangt het programma overzicht van de culturele broedplaats. Een flinke lijst aan evenementen over creativiteit en innovatie. Aan een deel van de lijst zal zij gaan werken, als stagiair. Samen met haar begeleider. Sjors.
Bij binnenkomst ziet Nora Sjors al staan. Enthousiast pratend eet hij een appel. Bij ieder uitroepteken in zijn verhaal vliegen er kleine spetters appelsap richting zijn gesprekspartner. Ze observeert het tafereel vanaf een afstand. Zijn houding zou haar kunnen irriteren. Hij staat voorover gebogen. Misschien zit zijn haar ook wel een beetje gek. En Sjors lacht veel te graag veel te hard om zijn eigen grappen. Maar zijn grappen zijn ook wel het leukst, vindt zij. Nora heeft een onverdraagzaamheid in zich naar iedereen, maar niet naar Sjors. Maar hoe kan het dat zij zo verliefd op hem is? Terwijl hij gewoon maar stukjes appel in het wilde weg spuugt en Nora niet eens opmerkt wanneer ze binnenkomt? Ze gaat aan haar bureau zitten en verlangt weer naar die benauwde tram, met al haar smerige inzittenden. De tram waar mensen haar alleen maar kunnen meevallen. Waar niemand haar kan teleurstellen.
Frits
De Wenckebachweg
Frits parkeert zijn fiets tegen een boom. Hij kijkt uit op de Bijlmerbajes. De beroemdste gevangenis van Nederland. Een gevangenis, die in de jaren 70 ging experimenteren met haar bajesklanten. Er werden geen tralies geplaatst voor de ramen en daarnaast kregen de gevangenen de sleutel van hun eigen cel. De criminelen bleken niet met de vrijheid om te kunnen gaan. Een paar incidenten zorgden voor een strenger beleid.
Alhoewel Frits zich interesseert voor de geschiedenis die het lelijke bouwwerk rijk is, heeft hij belangrijkere zaken te doen. Het slot van zijn fiets is verroest, waardoor het een eeuwigheid duurt voor het ding dicht gaat. In paniek morrelt hij aan het metaal. Hij moet opschieten. Straks is hij te laat. Als zijn fiets op slot staat, graait hij in zijn leren rugzak. Een enorm apparaat komt eruit. De duurste in zijn soort. Gevolgd door een boekwerk van minstens een halve kilo.
“Goedemorgen meneer” wordt hem toegewenst door een oudere vrouw. “SSSSSTTT!” sist Frits. Ze werpt hem een vernietigende blik toe, voordat ze verder sjokt. Ook de oudere vrouw groeten is niet belangrijk genoeg. Het moet doodstil zijn. Nog voordat de vrouw uit zijn zicht is verdwenen staat hij paraat. Zijn boek ligt op zijn bagagedrager, opengeslagen op bladzijde 274. Zijn verrekijker is juist afgesteld. Daar zit ze dan, op de hoogste tak. Een van de meest bijzondere vogels die Frits ooit in Amsterdam heeft gezien. De wind rukt op, wat voor het beest het startsein is voor een verhuizing naar de volgende boom. Alhoewel Frits haar maar kort heeft kunnen zien, is hij blij als een kind. Zijn missie is voltooid. Hij zet een vinkje op de desbetreffende bladzijde, stopt zijn boek weer in zijn tas en springt op zijn fiets. Op naar de volgende vogel. Hij fietst langs de vrouw die hem eerder begroette: “Excuus van zonet. U ook een goede morgen!” Ze reageert niet. Wel ziet hij in zijn ooghoek dat de middelste vinger van haar rechterhand iets uitsteekt. Dan maar geen goede morgen, denkt Frits. Hij heeft de mooiste vogel gezien die Amsterdam rijk is, zijn dag kan niet meer stuk.
Toni
Het Museumplein
Vanaf de passage, van waaruit voorbijgangers de binnenhoven van het Rijksmuseum kunnen observeren, staat Toni tegen het glas aangedrukt. Sinds het museum werd heropend in april 2013, bezoekt hij het één keer per maand. Hij komt ook vaak in het Stedelijk Museum. Toni heeft het altijd over ‘de mannetjes’ als hij het over Rembrandt, Cézanne, Picasso en de Russische Malevich heeft. De kunstenaars die hij zo bewondert.
Terwijl Toni twijfelt of hij vandaag een bezoekje aan het museum zal brengen, staat hij met zijn mond een paar centimeter van het glas gedrukt. Zijn adem in combinatie met de kou, veroorzaakt condens. Hij tekent een vraagteken in het wolkje dat hij op het glas heeft gecreëerd.
“En, wat ben jij van plan?!” Toni wordt bij zijn nekvel gegrepen door een van de bewakers van het Rijksmuseum. De man recht zijn rug, waardoor zijn buik ietwat uitzet en de knopen op zijn jack hard moeten werken om de stof aan beiden kanten bij elkaar te houden. “Ik twijfel, of ik vandaag naar binnen ga, om een bezoekje te brengen aan mijn favoriete museum. In gedachten verzonken, heb ik mij vervolgens tegen het glas gebogen. Begon ik adem te halen en heb ik mijn twijfel uitgedrukt in het vraagteken dat u hier ziet staan.” De volstrekt nette wijze waarop de woorden Toni zijn lippen verlaten, correspondeert niet met zijn outfit, zijn lange haar en de volle vuilniszak in zijn hand. De man is merkbaar op het verkeerde been gebracht. “Ik vind het belangrijk om de oude meesters die tijdens mijn studie kunstgeschiedenis in mijn leven kwamen, met enige regelmaat te blijven bezoeken.” doet Toni er nog een schepje bovenop. De man neemt weer een ietwat kromme houding aan, waardoor de knopen op zijn jas iets minder onder druk staan. “Prima meneer. Houdt u de volgende keer het glas wel schoon? En het is misschien een verstandig idee om die vuilniszak weg te gooien”. “Dat gaat wel lukken hoor. En die vuilniszak was ik, wederom in gedachten verzonken, even vergeten.” Toni heeft zijn keus gemaakt en loopt verder door richting de Stadhouderskade.